Herkomst 

De cavia (Cavia porcellus) komt oorspronkelijk uit Zuid- Amerika. Daar werden ze door de Inca-bevolking als “huisdier” gehouden. Naar alle waarschijnlijkheid werden de dieren gebruikt als voedsel en als offer voor de goden. In de 16de eeuw ontdekten de Spanjaarden het continent en dus ook de cavia’s. Naast de oorspronkelijke wildkleur “goud agouti” vonden ze ook cavia’s met andere kleuren. Aan het begin van de 18de eeuw komt de cavia tevens voor in verschillende landen van Europa. De cavia werd in deze landen niet gehouden voor het vlees, ze maakten hier hun opmars als huisdier. De Engelsen zijn de eersten geweest die begonnen met het bewust fokken van de dieren voor tentoonstellingen. Inmiddels is de cavia het knaagdier dat het meest als huis- of hobbydier gehouden wordt. 

Gedrag en omgang 

Cavia’s zijn dagactief en eenvoudig tam te maken waardoor het erg geschikte gezelschapsdieren zijn. Om de dieren tam te krijgen moeten ze vanaf jonge leeftijd regelmatig in de hand gehouden worden. De cavia moet daarbij altijd rustig en op ooghoogte benaderd worden omdat het dier anders schrikt. De cavia kan ook gelokt worden met wat lekkers waardoor de cavia het oppakken associeert met iets lekkers. Bij het oppakken kan de cavia het beste met één hand onder de borst en één hand onder de kont ondersteund worden. Cavia’s zijn sociale dieren waardoor ze veel aandacht van de verzorger moeten krijgen en anders met meerdere dieren in één verblijf geplaatst moeten worden. Wanneer er voor gekozen wordt om meerdere dieren bij elkaar te plaatsen kunnen daarvoor het beste alleen vrouwelijke dieren gebruikt worden. Wanneer er combinaties van mannen en vrouwen bij elkaar geplaatst worden zullen de vrouwtjes om de 65 tot 70 dagen jongen werpen, wat lang niet altijd wenselijk is. Mannetjes kunnen ook niet altijd even goed bij elkaar geplaatst worden omdat mannetjes nogal intolerant kunnen zijn tegenover elkaar. Cavia’s bijten heel weinig doordat de dieren in angstige of stressvolle situaties verstarren in plaatst door van zich af te reageren. Door het sociale gedrag van de dieren worden er veel geluiden door ze gemaakt. De cavia’s reageren op elkaar, op mensen, op voer en ga zo maar door. Een cavia kan dus een echte gangmaker zijn is huis.

Verzorging 

Bij een juiste verzorging en goede gezondheid kan een cavia zes tot acht jaar oud worden. Bij de verzorging moet in eerste instantie voor een schoon verblijf gezorgd worden. Afhankelijk van de grote en het aantal dieren in een verblijf zal het ongeveer eens per week schoon gemaakt moeten worden. Daarnaast moeten de dieren iedere dag voorzien worden van vers water, krachtvoer en ruwvoer. De nagels van de cavia’s groeien gedurende hun hele leven. Wanneer de nagels niet voldoende afslijten worden deze dus te lang. Daarom is het belangrijk om deze één tot twee maal per jaar te (laten) knippen. Voor het knippen van de nagels kan een speciaal tangetje gekocht worden bij uw dierenspeciaalzaak. Bij het knippen moet rekening gehouden worden met de bloedbaan in de nagels van de cavia’s. Er moet namelijk vermeden worden dat hierin geknipt wordt. Bij licht gekleurd dieren is deze bloedbaan duidelijk te zien, maar bij donker gekleurde dieren is dat moeilijker of niet te zien. Bij deze dieren kunnen de nagels beter drie tot vier maal per jaar geknipt worden waarbij voor de zekerheid niet teveel afgeknipt wordt. Cavia’s met langer haar moeten voor een goede vachtverzorging zo nu en dan geborsteld worden, zodat de klitten en vuiligheid uit de haren verwijderd kunnen worden. 

Huisvesting 

Een cavia is een sociaal dier en wordt in de meeste gevallen dan ook met meerdere cavia’s gehuisvest. Wanneer de verzorger voldoende aandacht aan het dier kan schenken kan er besloten worden om toch één cavia aan te schaffen. Wanneer een cavia alleen gehuisvest wordt moet het verblijf minimaal 60x60x40 cm (lxbxh) zijn. Wanneer er twee dieren in één verblijf geplaatst worden moet het verblijf minimaal 100x50x40 cm (lxbxh) zijn. Vervolgens moet er voor iedere cavia die daarbij komt 30 cm aan lengte of 140 cm² aan vloeroppervlak bij geteld worden. De minimale hoogte van 40 cm blijft daarbij hetzelfde. Het vloeroppervlak van de huisvesting voor cavia’s mag niet glad zijn, omdat de dieren anders uit kunnen glijden. Als bodembedekking kunnen verschillende materialen gebruikt worden die in de dierenspeciaalzaken daarvoor aangeboden worden. Cavia’s mogen echter niet op stro geplaatst worden omdat dit bij de dieren in de ogen kan steken en tot oogbeschadiging kan leiden. Cavia’s kunnen zowel binnen als buiten gehuisvest worden. Wanneer een jonge cavia bij een dierenspeciaalzaak aangeschaft wordt kan het dier het beste pas in de zomer naar buiten geplaatst worden omdat het temperatuursverschil anders te groot is. Als de jonge cavia altijd al buiten gehouden is dan maakt het niet uit in welk jaargetijde hij gekocht wordt aangezien hij toch al buiten gehouden werd. Wanneer de cavia buiten gehuisvest wordt moet er rekening gehouden worden met het feit dat cavia’s niet constant in de volle zon mogen zitten. Er moet een mogelijkheid zijn om zich te kunnen verbergen voor de zon. De huisvesting moet tochtvrij zijn, maar wel beschikken over voldoende ventilatie mogelijkheden. Er moet constant geventileerd worden door bijvoorbeeld een dak of deur van draadwerk in het verblijf te hebben. 

Voeding 

Voor de cavia zijn er twee belangrijke voedingsbestanddelen welke het nodig heeft om gezond te blijven. Dit zijn ruwe vezels en vitamine C. De ruwe vezels kunnen het beste aangeboden worden in de vorm van hooi wat de beste vezelleverancier is voor cavia’s. Vitamine C kan het beste verwerkt zitten in het voer. Wanneer vitamine C in het water wordt toegevoegd vervliegt het snel, groente en fruit zijn niet altijd voor handen en tabletjes brengen extra kosten met zich mee. Het ruwvoer, in dit geval hooi, moet onbeperkt aan de cavia’s aangeboden worden. Van het kant en klare caviavoer moet ongeveer 60 gram per cavia, per dag gevoerd worden. Wanneer vitamine C aan het voer is toegevoegd, is het overbodig om groente en fruit aan de cavia’s te voeren. Alle benodigde voedingsbestanddelen krijgen ze via het hooi en dit voer dan al binnen. Wanneer de vitaminen echter niet zijn toegevoegd kan het noodzakelijk zijn dit wel bij te voeren. Geschikte groentes en fruit zijn dan appel, witlof, wortel, boerenkool en andijvie. De kool- en slasoorten mogen alleen in kleine hoeveelheden aan volwassen dieren gevoerd worden. Water moet onbeperkt aangeboden en iedere dag ververst worden. 

Voortplanting 

Wanneer er één beer tussen een groep zeugen wordt gehuisvest, leidt tot jonge dieren. Om het aantal dekkingen te beperken kan in deze situatie de beer beter apart gehuisvest worden. Als er dan besloten wordt over te gaan tot jonge cavia’s, kunnen de zeugen bij de beer geplaatst worden. De zeugen staan gemiddeld eens in de zestien dagen een dekking toe. De draagtijd bedraagt 65 tot 70 dagen. Wanneer de jongen geboren worden kan de beer het beste uit de groep verwijderd zijn. Het dragen, werpen en zogen van de jongen kost veel energie, waardoor het beter is dat de zeug niet direct na de geboorte weer gedekt wordt door de beer. Het is beter de zeugen hooguit twee tot drie keer per jaar te laten dekken. Een zeug moet de eerste keer geworpen hebben voordat ze de leeftijd van elf maanden bereikt, dit mag echter niet gebeuren voor een leeftijd van zes maanden. Bij dieren ouder dan elf maanden zijn de bekkenbeenderen niet meer zo soepel en dat kan de doorgang van de jongen belemmeren, ook wel barensnood genoemd. Voor de ideale leeftijd van een eerste nestje wordt acht - negen maanden aangehouden. De jonge cavia’s worden geboren op de plaats in het hok waar de moeder zich het prettigst voelt. De jongen kunnen bijna direct na de geboorte lopen en hebben dan ook niet zoals jonge konijnen een nest nodig. Gemiddeld krijgt een cavia twee tot vier jongen. De jonge zeugen en beren moeten voor ze de leeftijd van 2 maanden bereiken van elkaar gescheiden worden. Veel cavia’s zijn namelijk al geslachtsrijp op een leeftijd van twee á drie maanden, al zijn ze op die leeftijd nog lang niet volgroeid. 

Gezondheid 

Als het om de gezondheid van uw dieren gaat is het altijd beter om te voorkomen dan te genezen. Vooral bij cavia’s kan dit heel belangrijk zijn omdat de dieren erg gevoelig zijn voor verschillende medicijnen en antibiotica in het bijzonder. In sommige gevallen kan het middel erger zijn dan de kwaal. De volgende aandoeningen kunnen bij de cavia’s voorkomen: 

Longontsteking 

Er zijn verschillende bacteriën die kunnen zorgen voor een luchtwegaandoening bij cavia’s. In de meeste gevallen zorgen de bacteriën voor een longontsteking. Een longontsteking is te herkennen door een verminderde eetlust bij de dieren. De cavia verliest snel gewicht, niest, heeft neusuitvloeiing, een ruwe open pels en ademhalingsmoeilijkheden. Longontsteking is besmettelijk via de lucht en heeft in de meeste gevallen een dodelijke afloop. 

Darmontsteking 

De meest voorkomende en belangrijkste aandoening aan het spijsverteringskanaal is de darmontsteking. De volgende verschijnselen, niet eten, gewichtsverlies, oogontstekingen, traagheid en diarree kunnen wijzen op een darmontsteking. Ook deze aandoening heeft in de meeste gevallen een dodelijke afloop en is besmettelijk. 

Middenoorontsteking 

Bij deze aandoening is het middenoor of hersenvlies van de cavia ontstoken. Verschijnselen die kunnen wijzen op deze aandoening zijn het scheef houden van de kop, in een cirkel ronddraaien en evenwichtsstoornissen. Deze aandoening is niet besmettelijk maar zonder behandeling wel dodelijk. 

Huidaandoeningen 

Cavia’s kunnen veel last hebben van vlooien, luizen, schimmels en mijten. Vlooien, luizen en mijten behoren niet tot een ziekte maar cavia’s ondervinden er zeker veel last van. Bij cavia’s die last hebben van huidmijt valt het haar met stukjes uit de opperhuid uit. Wanneer het drachtige zeugen zijn die hiermee besmet zijn dan kunnen ze verwerpen. Een bekende schimmelinfectie is ringworm. Hierdoor ontstaan, vaak op de neus of kop, kale schilferige plekken met rode randen. Naast ringworm is er nog de schurftmijt die ook zorgt voor kale plekken alleen dan met korsten. Al deze vormen van huidaandoeningen zijn besmettelijk, maar vrijwel nooit dodelijk. Niet alle kale plekken worden veroorzaakt door vlooien, luizen, schimmels of mijten want drachtige zeugen of pas gespeende jongen kunnen ook kale plekken vertonen. 

Gebreksziekten 

Gebreksziekten komen alleen voor wanneer een cavia een tekort heeft van bepaalde stoffen of combinaties van stoffen. De cavia kan zelf geen vitamine C aanmaken waardoor dit bijgevoerd moet worden. Wanneer de dieren hiervan te weinig binnen krijgen kan de groei verminderen, treed er gewichtsverlies op, verminderd de weerstand, ontstaat er bloedarmoede, ontstaan er onderhuidse bloedingen en gaat het bewegen moeilijker door pijnlijke gewrichten. Verder kunnen er door een gebrek aan vitamine E stijfheid en verlammingen ontstaan.

Herkomst 

De degoe (Octodon degus) komt oorspronkelijk in het Andes gebergte in Chili. In dit gebied leven veel roofdieren en daardoor wordt de degoe in de natuur nauwelijks ouder dan een jaar. Dit terwijl het hij in gevangenschap zeker 8 jaar oud kan worden. In de natuur leven degoes in grote troepen. In de 18de eeuw is de degoe ontdekt door mensen uit Europa. Deze mensen importeerden de degoe naar dierentuinen. De degoe werd in die tijd gezien als maar dit is niet juist. Degoes zijn verwant aan de cavia. In de 20ste eeuw werden er degoes gebruikt in laboratoria om daar onderzoeken te doen naar het sociale gedrag. Tevens werd de degoe gebruikt voor onderzoek voor medische doeleinden. Sinds enkele jaren wordt de degoe als huisdier gebruikt. 

Gedrag en omgang 

Degoes zijn zeer actieve dieren die veel klimmen en klauteren. De dieren zijn vooral overdag actief. In de middag worden ze weer wat rustiger maar aan het eind van de middag gaan ze weer lekker door met hun bezigheden. Degoes zijn geen echte knuffeldieren al zijn ze wel vrij eenvoudig, tot op een bepaalde hoogte, tam te maken. De dieren kunnen in de meeste gevallen wel vastgepakt en geaaid worden. Dit kan bereikt worden door de dieren regelmatig vanuit de hand te voeren. Doordat degoes zo nieuwsgierig zijn wint dit vaak van de voorzichtigheid en zullen toch naar het voer komen. Een degoe moet met één of twee handen opgeschept worden. Ze mogen nooit aan de staart opgepakt worden omdat deze dan gemakkelijk loslaat en niet meer aangroeit. 

Verzorging 

Met een juiste verzorging kan een degoe al snel 5 tot 8 jaar oud worden. Om dit te bereiken moet het verblijf van de degoe voldoende schoongemaakt worden. Hoe vaak dit moet gebeuren is afhankelijk van het aantal dieren en de grootte van het verblijf. In het verblijf moeten voldoende knaag mogelijkheden aanwezig zijn en de dieren moeten een zandbad kunnen nemen. Als aan deze beide punten wordt voldaan heeft een degoe verder geen lichamelijke verzorging nodig. Knaag mogelijkheden kunnen aangeboden worden in de vorm van wilgentakken. Naast genoemde zaken heeft een degoe ook iedere dag vers drinkwater en voer nodig. 

Huisvesting 

Degoes kunnen het beste in groepsverband of per paartje gehouden worden. Het verblijf van de degoe moet voor een paartje minimaal 70 x 40 x 70 (lxbxh) zijn. Wanneer de degoes in een groep worden gehuisvest, moet het verblijf minimaal 93 x 48 x 80 (lxbxh) zijn. De groep kan worden samengesteld uit enkel vrouwen. Er ontstaan problemen wanneer er bij een gemengde groep, gecombineerd met een te kleine ruimte, te weinig vrouwen per man aanwezig zijn. Wanneer er alleen mannen aanwezig zijn in de groepssamenstelling, is er een realistische kans op vechten aanwezig. Degoes zijn overdag actief en kunnen het beste binnen gehuisvest worden. Wanneer de degoe buiten gehuisvest wordt, moet er op een aantal punten gelet worden. Ten eerste moet er een nestkast aanwezig zijn met voldoende nestmateriaal zodat de degoe zichzelf warm kan houden. Ten tweede moet het verblijf op een goede manier geplaatst worden. De degoe moet ten alle tijden uit direct zonlicht en tocht kunnen zitten want hier kan hij erg slecht tegen. Er moet altijd voldoende frisse lucht aanwezig zijn. Het voedsel kan het beste in een bakje aangeboden worden. Dit bakje kan worden opgehangen of in het hok geplaatst worden. Het groenvoer kan los in het verblijf gelegd worden. Er moet altijd voldoende stofvrij hooi aanwezig zijn. Dit hooi kan los in het hok gelegd worden zodat de degoe het ook als nestmateriaal kan gebruiken. Het water moet in een fles aangeboden worden, zodat het water niet vies wordt. Degoes wassen zichzelf door in wit zand te rollen. Biedt daarom ook altijd een zware bak met dit zand aan. 

Voeding 

Voor de degoe is er speciaal degoe voer verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak. Dit mengsel bevat weinig vet en veel ruwe vezels. De degoe moet tussen de 20 en 25 gram voer per dag krijgen. Let erop dat het dieet van de degoe niet te vet wordt door te veel tussendoortjes te geven. Degoes zijn gevoelig voor overgewicht en hier kan suikerziekte uit ontstaan. Naast het gewone voer moet er wel altijd hooi aanwezig zijn. Het dieet van de degoe moet aangevuld worden met groenvoer. Er moet aan gedacht worden dat te veel vochtrijke groente ineens diaree kan veroorzaken. En suikerrijke vruchten is ook af te raden. Koolsoorten mogen niet gegeven worden. Tijdens de dracht moet de kwaliteit van het voedsel optimaal zijn. Water moet onbeperkt aangeboden worden, ook al drinkt de degoe weinig. 

Voortplanting 

Het vrouwtje is geslachtsrijp wanneer ze ongeveer 3 maanden oud is. Zij is dan nog niet voldoende ontwikkeld om de jongen te dragen dus het is beter om met de dekking te wachten tot het vrouwtje 5 maanden is. De vrouw laat zich eens in de 2 of 3 weken dekken. Dit verschilt heel erg per dier. Na de dekking kan de man bij de vrouw in het verblijf blijven. Ook tijden de dracht of na de geboorte zal de man niet agressief worden. De draagtijd bedraagt ongeveer 90 dagen en de worpgrootte bestaat gemiddeld uit 5 jongen. Degoes maken geen nest, de jongen zijn namelijk nestvlieders. De jongen drinken ongeveer 5 weken bij de moeder. Vanaf 8 weken zijn de jongen helemaal zelfstandig en kunnen ze bij de moeder weggehaald worden. 

Gezondheid 

De gezondheid van een dier is erg belangrijk voor het dier zelf, maar vaak ook voor de verzorger. Het is dan ook aan de verzorger om de gezondheid zoveel mogelijk te waarborgen en ziektes te voorkomen of helpen te genezen. Daarom is het belangrijk voor de verzorger om te weten welke ziektes zijn dier op kan lopen en hoe deze herkend en verholpen kunnen worden. De volgende aandoeningen kunnen bij degoes voorkomen: 

Aandoeningen aan de luchtwegen 

Degoes kunnen last krijgen van een verkoudheid of longontsteking. In de meeste gevallen wordt dit veroorzaakt doordat de dieren op de tocht staan of te snel in een koudere omgeving geplaatst worden. Deze ziekte is besmettelijk waardoor de degoe ook door soortgenoten of andere dieren aangestoken kan worden. Beide aandoeningen zijn te herkennen aan een het niesen van de degoe en door de natte neus. Wanneer de verkoudheid ernstiger wordt gaat de degoe reutelend ademen en krijgt het meer vloeistof uit zijn neus. De degoe met één van beide aandoeningen kan het beste apart geplaatst worden in een verwarmde ruimte van 21 á 22 °C. 

Aandoeningen aan het spijsverteringskanaal 

In de meeste gevallen wanneer er diarree ontstaat bij de degoe wordt dit veroorzaakt door onjuiste voeding en dit in sommige gevallen in combinatie met vocht en tocht. In veel gevallen krijgen de dieren te vochtrijk voedsel waar het niet goed tegen kan, maar ook bedroven voedsel en vervuild drinkwater kunnen de reden zijn van de diarree. Wanneer een degoe last krijgt van diarree moet al het vochtrijke voedsel verwijderd worden uit het hok. Het dier mag alleen nog droog brood, hooi, crackers of gekookte rijst en het water kan het beste vervangen worden door lauwe kamillethee. Vervolgens kan het verblijf, tot de diarree over is, het beste één tot twee maal per dag verschoond worden. Als de diarree helemaal verdwenen moet het verblijf ontsmet worden en kan er weer terug gegaan worden op de originele voeding. 

Tandproblemen 

Degoes kunnen last krijgen van witte of olifantstanden. De tanden van een degoe zijn normaliter oranje van kleur. Als de dieren een onjuiste voeding krijgen waardoor ze te weinig mineralen binnen krijgen worden hun tanden zwakker en dus wit. De tanden kunnen op een bepaald moment zelfs afbreken als de voeding niet op tijd wordt aangepast. De witte tanden kunnen ook veroorzaakt worden door mondinfecties, hiervoor moet een dierenarts geraadpleegd worden. De degoes kunnen ook last krijgen van olifantstanden, wat inhoudt dat de tanden niet netjes langs elkaar afslijten en te lang worden. De degoe gaat hierdoor heel slecht eten en kan hieraan ook overlijden. Wanneer een degoe last heeft van olifantstanden dan moeten de tanden (door een dierenarts) om de zoveel tijd geknipt worden. 

Leveraandoeningen 

Leveraandoeningen bij degoes worden in de meeste gevallen veroorzaakt door een onjuiste voeding. Als de voeding te vet is of teveel suikers bevat zoals zoete vruchten of verkeerde koolhydraden, krijgen de dieren last van leverproblemen. De problemen zijn makkelijker te voorkomen dan te verhelpen. Daarom is het belangrijk de degoe alleen geschikte voeding aan te reiken. 

Suikerziekte 

Degoes mogen geen suikers gevoerd krijgen omdat dit kan leiden tot een soort suikerziekte. De dieren kunnen namelijk heel slecht suikers, met in het bijzonder enkelvoudige suikers verteren. Dit zijn de suikers die bijvoorbeeld in fruit zitten. Wanneer de dieren dit toch gevoerd krijgen ontstaat de suikerziekten en zullen de dieren meer gaan drinken en plassen. Uiteindelijk kan het ook zorgen voor een vorm van cataract ( staar). Daarbij worden de dieren minder vriendelijk in omgang. 

Cataract 

Wanneer degoes ouder worden of suiker gevoerd krijgen kan cataract ontstaan. Bij deze aandoening, ook wel grauwe staar genoemd, verschijnt er een grauwblauwe plek op het netvlies van de degoe. Het dier heeft er geen last van, behalve dat hij steeds minder gaat zien en op ten duur helemaal blind kan worden. De degoe zal op een bepaald moment minder goed zijn afstanden in kunnen schatten waardoor het minder goed kan springen en dus minder actief wordt. Als een dier cataract heeft is er niets meer aan te doen. 

Horrelvoeten 

Wanneer degoes veel de kans krijgen om in het gaas te klimmen en in radjes met spijlen te lopen kunnen ze last krijgen van horrelvoeten. De voeten gaan dan ontsteken en er ontstaan wondjes. Dit is voor de degoe zeer pijnlijk en kan vermeden worden door een dicht looprad te plaatsen en de dieren zo min mogelijk kans te geven om in het gaas te klimmen. Huisvest de dieren bijvoorbeeld in een glazen bak. 

Herkomst 

De boeroendoek wordt ook wel de Aziatische grondeekhoorn genoemd. Hij wordt zo genoemd omdat hij zich graag ophoud op de grond, dit in tegenstelling tot veel andere eekhoorns. De Latijnse naam voor dit dier is Eutamias sibiricus. Oorspronkelijk komt de boeroendoek uit Siberië maar momenteel komt hij in het wild voor in de noordelijke delen van Azië en in Rusland. Je kunt de boeroendoek herkennen aan de vijf strepen die in lengterichting over zijn rug lopen en aan zijn wangzakken. Zijn pels is grijs tot goudbruin, de buik is altijd wit en de staart is grijs. De boeroendoek is 14 tot 17 centimeter lang, gemeten van de neus tot begin van de staart en weegt gemiddeld 100 gram. De staart zelf is ongeveer 10 centimeter lang. 

Gedrag en omgang 

Boeroendoeks zijn dagactieve dieren die de hele dag levendig en nieuwsgierig op zoek zijn naar voedsel om in hun hol te verzamelen. Wanneer een Boeroendoek binnen gehouden wordt zal hij, in tegenstelling tot zijn soortgenoten die buiten verblijven, niet in winterslaap gaan. Deze dieren zijn tot op een bepaalde hoogte vrij eenvoudig tam te maken, mits daarmee op jonge leeftijd begonnen wordt. De dieren kunnen met voedsel in de hand gelokt worden, maar echte knuffeldieren zullen het nooit worden. Moet een dier opgepakt worden dan kan dat het beste door hem op de hand te nemen of te vangen met een net of doos. De Boeroendoek mag nooit aan zijn staart opgepakt worden omdat deze dan af kan breken en niet meer aangroeit. 

Verzorging 

Met een juiste verzorging kan een Boeroendoek ongeveer 10 jaar oud worden. Daarvoor moet het verblijf, in ieder geval de uitwerpselenhoek, regelmatig schoon gemaakt worden. Daarnaast moet de Boeroendoek iedere dag beschikking hebben over vers drinkwater en voer. Er moet daarbij regelmatig gekeken worden of er geen voedsel ligt te bederven in de nestkast van de dieren. Als dit het geval is dan moet het verwijderd worden. De Boeroendoek heeft verder geen lichamelijke verzorging nodig. 

Huisvesting 

Het hok van de boeroendoek moet minimaal 100 x 50 x 120 cm (lxbxh) zijn. Hoe groter het hok, hoe meer de boeroendoek zijn natuurlijke gedrag zal vertonen. De boeroendoek kan zowel binnen als buiten gehuisvest worden. Als er voor wordt gekozen om de boeroendoek buiten te huisvesten, moet er op een aantal punten gelet worden. Ten eerste moet hun hol in hun verblijf altijd vorstvrij zijn. Wanneer dit niet gebeurd, kan het dier overlijden terwijl hij zijn winterslaap houdt. Verder moet er voor gezorgd worden dat het hok niet in de felle zon staat. De boeroendoek heeft te allen tijde een gedeelte schaduw nodig. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door een afdakje te maken of door het hok in de schaduw van het huis te zetten. Tevens moet er worden opgepast voor tocht, hier kan de boeroendoek slecht tegen. Waneer het dier binnen gehouden wordt, zijn de hierboven genoemde punten ook belangrijk. De boeroendoek gaat binnenshuis bijna nooit in winterslaap. De winterslaap heeft voor- en nadelen. Dieren die in winterslaap gaan worden meestal iets ouder, omdat ze tijdens de slaap weinig van hun lichaam vragen. Een nadeel is dat een slapende boeroendoek dan weinig gezelschap geeft. Boeroendoeks zijn solitair levende dieren. Wanneer deze soort in paartjes wordt gehouden, kunnen de gemoederen flink oplopen. In de meeste gevallen zullen er gevechten ontstaan. Het is daarom beter om de dieren alleen te houden. Het voedsel kan het beste in een bakje gegeven worden. Dit bakje kan aan de binnenkant van het hok worden gehangen of op de grond worden gezet tegen de omheining aan. Het voerbakje moet dan wel zwaar genoeg zijn, zodat deze niet omver gelopen kan worden. Er moet op gelet worden dat de voerbak niet in de toilethoek komt te staan. De Boeroendoek moet tweemaal per dag gevoerd worden, zowel ’s ochtends en ’s avonds. Het water moet in een fles aangeboden worden, zodat het water niet vies wordt. 

Voeding 

Er is speciaal eekhoorn voer te koop in de dierenspeciaalzaken. Deze voeders zijn geschikt voor meerdere soorten eekhoorns, daarom moet er gekeken worden of de ingrediënten passend zijn in het dieet van de boeroendoek. Het voer kan tevens zelf samengesteld worden. Een mengsel van knaagdiervoer met vogelzaden is erg geschikt als boeroendoek voer. Er moet opgelet worden dat het voer niet te vet wordt. Een boeroendoek moet 25 tot 30 gram eekhoornvoer krijgen. Daarnaast moet hij elke dag 2 plukken hooi aangeboden krijgen. Dit hooi gebruikt hij niet om te eten, maar om zijn nesten mee aan te kleden. Een boeroendoek hamstert, waardoor een lege voerbak niet zegt dat het voer op is. De boeroendoek sleept zijn voer namelijk altijd mee naar zijn nest. Hij eet graag groente en fruit, er is weinig dat hij niet lust. Behalve de aardbeien, waarvan de pitten een allergeen stof bevatten die dodelijk kan zijn voor dieren die hier gevoelig voor zijn. Boeroendoeks zijn alleseters, daarom moet er altijd dierlijk voer worden aangeboden. Er kan gekozen worden voor kattenbrokken, meelwormen, krekels of sprinkhanen die 1 a 2 maal per week gegeven kunnen worden. Tien tot twaalf gram kattenbrokken of 15 meelwormen volstaan in de behoefte van de boeroendoek. Hij drinkt ongeveer 5 ml water per dag. Zorg dat er altijd voldoende water aanwezig is.

Voortplanting 

Het vrouwtje accepteert het mannetje alleen in haar territorium als ze bereid is om te paren. Ze laat dit met een typische fluittoon weten. Eens in de 2 weken is ze bereid om te paren, dit duurt 2 tot 3 dagen. Wanneer de paring voorbij is, duld de vrouw de man niet meer in haar omgeving. De man moet dan uit het hok gehaald worden om vechten en de daaruit voortkomende verwondingen tegen te gaan. Boeroendoeks zijn vanaf de leeftijd van 9 maanden geslachtsrijp. De dracht duurt 30 tot 31 dagen. Boeroendoeks bouwen een nest van hooi, bodemmateriaal en eventueel houtwol of ander materiaal dat aanwezig is in de kooi. Er moeten altijd meerdere nestkasten aanwezig zijn, ook als de boeroendoek niet gedekt is. Deze nestkasten doen tevens dienst als slaap plaats, zeker als er geen gelegenheid is om een hol te graven. Gemiddeld worden er 3 tot 5 jongen geboren, maar de worpgrootte kan hoger liggen. Wanneer een boeroendoek 2 nesten per jaar heeft, neemt de worpgrootte af. De jongen verlaten na ongeveer 1 maand af en toe het nest om de omgeving te verkennen. Na ongeveer 2 maanden zijn ze zelfstandig en moeten ze bij de moeder weg gehaald worden. Als dit niet gebeurd, is de kans op vechten groot. 

Gezondheid 

De gezondheid van een dier is erg belangrijk voor het dier zelf, maar vaak ook voor de verzorger. Het is dan ook aan de verzorger om de gezondheid zoveel mogelijk te waarborgen en ziektes te voorkomen of helpen te genezen. Daarom is het belangrijk voor de verzorger om te weten welke ziektes zijn dier op kan lopen en hoe deze herkend en verholpen kunnen worden. De volgende aandoeningen kunnen bij Boeroendoeks voorkomen: 

Aandoeningen aan de luchtwegen 

Boeroendoeks kunnen last krijgen van een verkoudheid of een longontsteking. In de meeste gevallen wordt dit veroorzaakt doordat de dieren op de tocht staan of te snel in een koudere omgeving geplaatst worden. Deze ziekte is besmettelijk waardoor de Boeroendoek ook door soortgenoten of andere dieren aangestoken kan worden. Beide aandoeningen zijn te herkennen aan een moeilijke ademhaling en in sommige gevallen uitscheiding uit de neus. Wanneer het dier ook in elkaar gedoken zit met een vacht die er slecht verzorgd uitziet kan men het beste naar de dierenarts. In andere gevallen kan het voldoende zijn om het dier in een warme omgeving te plaatsen. 

Aandoeningen aan het spijsverteringskanaal 

De Boeroendoek kan last krijgen van diarree door verschillende oorzaken. In de meeste gevallen wordt het veroorzaakt door verkeerde voeding. Wanneer er plotseling overgestapt wordt op een ander voer of de dieren teveel groente en fruit gevoerd krijgen is de kans groot dat zij last zullen krijgen van diarree. Wanneer de dieren last krijgen van diarree kan het beste alleen droogvoer en hooi gevoerd worden. Er kan ook voor gekozen worden om de dieren geroosterd brood, appelschillen of bladeren van bramen- en frambozenstruiken te voeren. Als de diaree dan over is kan er weer over gegaan worden op de normale voeding. 

Huidaandoeningen 

Wanneer de Boeroendoek last heeft van schilfertjes tussen de haren of op de neus en oren is de kans groot dat hij last heeft van een schimmelinfectie. In dit stadium kan het beste direct actie ondernomen worden door een middel te halen bij één van de dierenspeciaalzaken of met het dier naar de dierenarts te gaan. Doordat een schimmelinfectie zeer besmettelijk is kan het dier het beste direct van soortgenoten geïsoleerd worden. Wanneer de infectie in verder gevorderde stadiums komt krijgt de Boeroendoek korstjes en jeuk waardoor het dier gaat krabben en wondjes veroorzaakt. De wondjes kunnen vervolgens weer gaan ontsteken. Het beste is dus om direct actie te ondernemen bij wanneer de eerste verschijnselen zich tonen. 

Olifantstanden 

Bij Boeroendoeks groeien hun tanden hun hele leven door. De tanden slijten af doordat de dieren veel knagen en de tanden op elkaar afslijten. Wanneer de tanden dus niet netjes op elkaar aan sluiten groeien de tanden langs elkaar heen. Op die manier worden ze veel te lang. Wanneer een Boeroendoek slecht eet kan de oorzaak hierin gezocht worden. De tanden moeten dan gecontroleerd worden en wanneer blijkt dat dit het geval is dan moeten deze voortaan (door een dierenarts) geknipt worden. 

Herkomst 

De chinchilla`s (Chinchilla laniger) vallen onder de cavia-achtige en komen van oorsprong uit Zuid-Amerika. Hier werden ze ontdekt door de Spanjaarden, die in de 16de eeuw Zuid-Amerika veroverde. De jacht op de chinchilla`s werd geopend voor hun pels die niet te vergelijken waren met andere bontsoorten uit die tijd. De vraag naar de pels werd aan het begin van de 20ste eeuw zo groot dat de natuurlijke populatie van de chinchilla in gevaar kwam. Als reactie hierop chinchilla`s gevangen, met als doel er mee te gaan fokken. Doordat de westerse wereld een aversie kreeg tegen het fokken van dieren voor het bont, werd de chinchilla vanaf dat moment vooral gefokt als huisdier. 

Gedrag en omgang 

Chinchilla’s zijn echte schemerdieren en zitten dus (bijna) de hele dag in hun slaapverblijf of een hoekje van het verblijf. Het hanteren en verzorgen van een chinchilla is alles behalve kinderwerk. Pas wanneer een chinchilla vertrouwd is met zijn verzorger zal hij zich in de handen laten nemen. Als het dier al tam is laat hij zich gemakkelijk oppakken, maar wanneer een dier dit niet gewend is moet het echt gevangen worden. Het kan dan het beste met één hand bij de staartwortel gepakt worden terwijl het met de andere hand onder het lichaam ondersteund wordt. Een chinchilla zal ondanks dat het niet tam is, niet snel iemand uit agressie bijten. 

Verzorging 

Een chinchilla die op de juiste manier verzorgd wordt kan al snel een leeftijd van ongeveer 15 jaar bereiken. Onder een juiste verzorging wordt verstaan dat het verblijf bijtijds verschoond wordt, dat de dieren de mogelijkheid hebben om een zandbad te nemen en dat de chinchilla’s iedere dag vers water en voer krijgen. Het verblijf moet, afhankelijk van het aantal dieren en de grootte, ongeveer eens per week schoon gemaakt worden. Voor het zandbad is speciaal chinchillazand verkrijgbaar bij de dierenspeciaalzaken. Vanwege de hoge prijs kan dit zand beter iedere dag maar even in het verblijf geplaatst worden omdat het anders snel vervuilt en dus ongeschikt raakt. De chinchilla’s hebben, wanneer aan de punten wordt voldaan, geen verdere lichamelijke verzorging nodig. 

Huisvesting 

Voor de huisvesting van chinchilla’s wordt vaak een huiskamervolière gebruikt. Deze voldoet aan de maten. De kooi mag niet hoger zijn dan 1,50 meter want dit kan fataal zijn voor jonge chinchilla`s. De breedte en diepte moeten minimaal 80 bij 80 cm zijn. Het materiaal van de kooi moet kaagbestendig zijn. Verder mag er niet al te veel ruimte tussen de tralies zitten, want hier kunnen ze gemakkelijk tussendoor schieten. De chinchilla kan het beste binnen gehuisvest worden omdat het buiten warmer en kouder kan zijn. Om te kunnen klimmen moeten er dikke takken in de kooi opgehangen worden, hiervoor kan beukenhout, wilgenhout en takken van fruitbomen gebruikt worden. Op verschillende hoogtes in het verblijf moeten zitplankjes geplaatst worden. Een slaaphok of nestkast is niet noodzakelijk, maar veel dieren maken er graag gebruik van. Als bodembedekking kunnen houtkrullen gebruikt worden. De drinkfles moet van glas zijn, omdat plastic flessen niet bestand zijn tegen de scherpe tanden van de chinchilla. Het verblijf van een chinchilla mag nooit op de tocht en in de volle zon staan. Chinchilla`s zijn nachtdieren, daarom zijn koude en drukke plaatsen niet geschikt. Chinchilla`s moeten zich minimaal eenmaal per dag wassen in een zandbak met speciaal chinchillazand, zodat hun pels schoon wordt. Dit zand wordt in een stenen schaal op de bodem geplaatst. 

Voeding 

De spijsvertering van de chinchilla is erg gevoelig, daarom is het beste om een speciaal chinchillavoer te voeren en niet te veranderen van merk. Deze staafjes bevatten samengeperste graansoorten, hooi, vitaminen en mineralen. Het voer moet erg vezelrijk en karig zijn. Als het voer teveel vet, eiwitten en andere voedingsstoffen bevat, krijgt het dier diarree dat kan leiden tot de dood. De chinchilla moet een maal per week een stukje groente en fruit krijgen dat weinig vocht bevat, bijvoorbeeld een braam. Verder heeft de chinchilla veel behoefte aan een goede kwaliteit hooi, om voedingsstoffen te kunnen verteren. De chinchilla heeft behoefte aan 20 tot 40 gram droogvoer en 20 tot 30 ml water per dag. Het droogvoer kan in een bakje aan de rand van het verblijf worden aangeboden. Hierbij moet wel gelet worden, dat deze niet in de toilethoek staat. Het water wordt in een drinkfles verstrekt, die aan de wand kan worden bevestigd. Verder moet er een knaagsteen aanwezig zijn, zodat ze hun tanden hieraan kunnen slijten. 

Voortplanting 

Een chinchilla vrouwtje is geslachtsrijp als ze zeven tot acht maanden oud is. In tegenstelling tot de man die al bij vijf a zes maanden geslachtsrijp is. Ongeveer eens per dertig dagen is het vrouwtje bereid te paren en dan blijft ze een paar dagen bronstig. Het mannetje kan bij het vrouwtje gehuisvest worden, zowel tijdens de dracht, als tijdens de zoogperiode. De dracht duurt gemiddeld 111 dagen en ze baart gemiddeld drie jongen. De worp bevindt zich meestal in een huisje of in een hoek van het verblijf. De pasgeboren jongen zijn dan al volledig ontwikkeld. Ze wegen dan 40 tot 55 gram. Na acht weken moeten ze worden gescheiden van de moeder, omdat ze anders zullen blijven zogen. Dit kost de moeder te veel energie. 

Gezondheid 

De gezondheid van een dier is erg belangrijk voor het dier zelf, maar vaak ook voor de verzorger. Het is dan ook aan de verzorger om de gezondheid zoveel mogelijk te waarborgen en ziektes te voorkomen of helpen te genezen. Daarom is het belangrijk voor de verzorger om te weten welke ziektes zijn dier op kan lopen en hoe deze herkend en verholpen kunnen worden. De volgende aandoeningen kunnen bij chinchilla’s voorkomen: 

Aandoeningen aan de luchtwegen 

Chinchilla’s kunnen last krijgen van een verkoudheid of longontsteking. In de meeste gevallen wordt dit veroorzaakt doordat de dieren op de tocht staan of te snel in een koudere omgeving geplaatst worden. Deze ziekte is besmettelijk waardoor de Chinchilla ook door soortgenoten of andere dieren aangestoken kan worden. Beide aandoeningen zijn te herkennen aan een het niesen van de chinchilla en door de natte neus. Wanneer de verkoudheid ernstiger wordt gaat de chinchilla ook reutelend ademen en krijgt het meer vloeistof uit zijn neus. De chinchilla met één van beide aandoeningen kan het naar de dierenarts gebracht worden en apart geplaatst worden in een verwarmde ruimte van 22 tot 25 °C. 

Aandoeningen aan het spijsverteringskanaal 

Diarree is één van de meest voorkomende aandoeningen bij chinchilla’s. Het wordt dan ook door de volgende punten veroorzaakt, een teveel aan groenvoer, verkeerd voer, abrupt overstappen op nieuw voer, vochtig of beschimmeld hooi, algen in het drinkwater of het teveel eten. Hoe erg de chinchilla last heeft van diarree kan aan de keutels gezien worden. Bij een lichte vorm poept de chinchilla gewoon keutels al worden deze gemakkelijk platgelopen. Dan kunnen de chinchilla’s het beste veel hooi, gedroogd witbrood, beschuit, soepstengels of rijstewafels gevoerd krijgen. Wanneer de diarree wat ernstiger is kan er Karlbadzout door het drinkwater gedaan worden en mag de chinchilla geen normaal voer meer krijgen. Er moet 6,5 gram zout aan 1 liter water worden toegevoegd. Als een chinchilla zeer ernstige diarree heeft kan het dier het beste gelijk naar de dierenarts gebracht worden. Dit kan herkend worden aan de sluimerige, dunne ontlasting. Het dier wil dan hoogst waarschijnlijk al niets meer eten en is lusteloos. Naast diarree kan er ook verstopping voorkomen. Wanneer een dier hier last van heeft kan men ook het beste zo snel mogelijk naar de dierenarts gaan. Wanneer het dier namelijk volledig verstopt zit zal het op den duur sterven. 

Huidaandoeningen 

Chinchilla’s hebben door hun dichte pels bijna geen last van parasieten doordat deze simpelweg niet overleven tussen al die haren. Daarom is vrijwel de enige parasiet die nog wel eens bij de chinchilla voorkomt, de oormijt. Een chinchilla die last heeft van oormijt zal veel aan zijn oor krabben en zijn kop scheef houden. Oormijt is zeer besmettelijk dus het dier dat er last van heeft kan het beste direct apart gezet worden. De dierenarts kan een middel tegen oormijt voorschrijven. 

Tandproblemen 

Bij chinchilla’s groeien hun tanden hun hele leven door. De tanden slijten af doordat de dieren veel knagen en de tanden op elkaar afslijten. Wanneer de tanden dus niet netjes op elkaar aan sluiten groeien de tanden langs elkaar heen. Op die manier worden ze veel te lang. Wanneer een chinchilla slecht eet kan de oorzaak hierin gezocht worden. De tanden moeten dan gecontroleerd worden en wanneer blijkt dat dit het geval is dan moeten deze voortaan (door een dierenarts) geknipt worden. 

Krampen 

Door vitamine B of kalk tekort kan een chinchilla last krijgen van krampen. Het dier valt dan ineens om en heeft geen controle meer over zijn bewegingen. Dit duurt meestal 5 á 10 minuten waarna de chinchilla weer gewoon verder gaat met zijn bezigheden. Het gevaar van deze aanvallen is dat het hart het begeeft tijdens zo’n aanval. Om die reden kan het tekort het beste zo snel mogelijk aangevuld worden. Vitamine B kunnen bij de dierenarts gehaald worden en kalk kan in de vorm van kalkstenen of tabletten welke bij de verschillende dierenspeciaalzaken gehaald kunnen worden. Een tekort aan vitamine B en kalk komen vooral voor bij zwangere vrouwtjes. 

 

Rebas Footer